Author profile picture

Met alleen het verduurzamen van materialen of strengere regels komen we er niet. Om de bouw te verduurzamen zijn er fundamentele veranderingen nodig in de manier van denken en werken. Universiteiten en andere kennisinstellingen doen veel onderzoek naar circulaire en duurzame bouw. Zo komen nieuwe innovaties tot leven die uiteindelijk ook in de markt impact kunnen hebben. Onlangs werd vanuit 4TU.Built Environment – een samenwerkingsverband tussen de vier technische universiteiten – een nieuw Domein Aanjaag Team (DAT) opgezet: DAT Circularity & Sustainability.

Aan het hoofd van dit team staat Torsten Schröder, architect en assistent professor Sustainability in Architectural Design bij de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e). Samen met Vincent Gruis, hoogleraar Housing Management, vertelt hij over de doelen, verwachtingen en strubbelingen rondom de circulaire bouweconomie.

Over deze serie

Samen met 4TU.Built Environment werken we bij Innovation Origins aan een serie artikelen over innovatie in de bouw. De komende maanden gaan we op onderzoek uit en geven antwoord op de meest interessante en prangende vragen rondom belangrijke bouwthema’s. De samenwerking tussen de vier technische universiteiten in Nederland en alle partners speelt daarin een belangrijke rol.

Fundamentele veranderingen

Schröder: “Ik zie het als mijn plicht om hoopvol te zijn en aan oplossingen te werken die kunnen helpen en de circulaire transitie mogelijk maken. Maar er is wel een radicale verandering nodig in de manier waarop we de dingen doen. We krijgen geen honderd procent circulaire bouwomgeving door gebouwen alleen wat meer modulair of met biologische materialen te maken. We moeten de manier waarop we gebouwen ontwerpen, bouwen, in gebruik nemen en hergebruiken fundamenteel veranderen.”

Schröder legt verder uit dat je ook zou kunnen overwegen om zelfs helemaal geen nieuwe gebouwen meer neer te zetten. Zo kun je de creativiteit binnen de sector aanwakkeren om dit maatschappelijke probleem aan te pakken. “We moeten daarnaast ook kijken hoe we bestaande gebouwen efficiënter kunnen gebruiken. Veel gebouwen worden acht uur per dag gebruikt en de rest van de dag niet meer. Dat kan anders. Natuurlijk moeten we verder bouwen maar er moet ook ruimte zijn voor andere benaderingen. Dat is heel belangrijk.”

Gruis en Schröder zijn blij dat de bouwsector zo langzamerhand eindelijk wordt erkend in het Nationale Topsectorenbeleid. Bouw heeft nu een eigen TKI. De start van DAT Circularity and Sustainbility komt wat dat betreft mooi op tijd. “De meeste onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten in de bouwsector stonden altijd apart van de energietransitie, klimaatveranderingen of mobiliteitskwesties”, meent Gruis. “De bouwsector werd nooit erkend als topsector op zichzelf. Daar is nu gelukkig verandering in gekomen.” Schröder vult aan: “Dat is eigenlijk ook heel logisch. De bouwsector is van essentieel belang bij deze transformatie. Van alle industriële sectoren heeft de bouw de grootste impact.”

Interdisciplinaire aanpak

Binnen zijn onderzoeksprojecten aan de TU/e houdt Schröder zich voornamelijk bezig met het vertalen van de concepten duurzaamheid en circulariteit naar de architectonische en stedenbouwkundige praktijk. “Meer specifiek kijk ik hoe we het 10R model (Rethink, Redesign, Reduce, Reuse, Repair, Refurbish, Remanufacture, Repurpose, Recycle en Recover, red.) van de circulaire economie kunnen vertalen naar een bouwkundig ontwerp”, zegt Schröder.

“Momenteel zijn er bijvoorbeeld studenten bezig met ontwerp op het gebied van hergebruik. Met weer een andere groep werk ik aan het ontwerpen van gebouwen met biologisch afbreekbare materialen. Mijn werk richt zich op het identificeren van nieuwe mogelijkheden, innovatieve ontwerpen en het maximaliseren van impact.” Het is een complexe wereld volgens Schröder. Daarom hanteert hij een interdisciplinaire aanpak die gebruik maakt van Science and Technology Studies (STS). “Daarbij kijk ik met name naar de vormgeving van ontwerpuitdagingen, naar de manier waarop kennis wordt overgebracht, de manier waarop ontwerpstrategieën worden opgesteld en naar de manier waarop in de ontwerppraktijk conflicten worden opgelost”, aldus Schröder.

Waarom we over dit onderwerp schrijven:

Europa is voorzichtig bezig met een transitie naar een circulaire economie. Dat geldt ook voor de bouwsector. Tegelijkertijd is de woningnood hoog en zijn er veel extra woningen nodig. Om dit ingewikkelde vraagstuk aan te pakken, zijn baanbrekende innovaties onmisbaar.

Conflicten

Dergelijke conflicten ontstaan bijvoorbeeld als verschillende disciplines tegenstrijdige belangen hebben. “Een typisch conflict is de botsing tussen de wens van de architecten en die van bouwkundig ingenieurs in een project. Architecten willen vaak grote raampartijen met een geweldig uitzicht maar bouwkundig is dat problematisch omdat er zo veel warmte van de zon binnenkomt en het meer energie kost om het gebouw koel te houden.” Het is maar een voorbeeld van de vele conflicten die in de praktijk kunnen ontstaan. Elke discipline is op andere manier betrokken en heeft andere verantwoordelijkheden. Over de oplossing van die conflicten vertelt Schröder: “Het is heel belangrijk om naar de context te kijken. Duurzaamheid en circulariteit zijn heel context specifiek. Welke argumenten wegen het zwaarst binnen de context? Voor elk project kijken we wat de prioriteiten zijn, wie erbij betrokken zijn en hoe we er het beste van kunnen maken.”

Ontwikkelen en verbeteren woningvoorraad

Gruis houdt zich in een iets andere vorm bezig met circulariteit en duurzaamheid in de bouwsector: “Wij genereren kennis die kan helpen onze woningvoorraad te ontwikkelen en te verbeteren. We richten ons met name op de bestaande gebouwen maar we hopen natuurlijk ook het een en ander te mogen doen bij nieuwbouw. Daarbij besteden we veel aandacht aan hoe we woningen meer circulair kunnen maken.”

Onderhouds- en renovatie-activiteiten dragen volgens Gruis op hun manier al bij aan circulariteit van woningen omdat de producten langer gebruikt worden. Maar hij is van mening dat de activiteiten zelf ook kunnen worden uitgevoerd op een circulaire manier. Als je kozijnen vervangt, zijn bepaalde elementen misschien herbruikbaar. Of misschien is het mogelijk om biologische materialen te gebruiken. Denk aan hout in plaats van aluminium. Zo’n kozijn kan bovendien zodanig in elkaar gezet worden dat het gemakkelijk te demonteren is. Dat maakt de kans op hergebruik groter.”

“Op het meest fundamentele niveau is circulariteit voor mij een middel om duurzamer worden.”

Vincent Gruis

Gevraagd naar zijn definities van circulariteit en duurzaamheid zegt Gruis: “Op het meest fundamentele niveau is circulariteit voor mij een middel om duurzamer worden. Uiteindelijk willen we minder schadelijke emissies en afval. En we willen het uitputten van natuurlijke hulpbronnen terugbrengen. De doelen van circulariteit dragen allemaal bij aan het creëren van een betere en gezondere omgeving. Idealiter willen we dit op een manier doen die economisch haalbaar is. Circulariteit kan dus vooral gezien worden als een strategie.”

Teams in de transitie

Om de transitie naar een meer circulaire bouweconomie vooruit te helpen, zitten zowel Gruis als Schröder in speciale teams. Het eerdergenoemde DAT Circularity en Sustainability nog maar net gestart. “We zitten nog in de fase waarin we onze scope aan het bepalen zijn”, zegt Schröder. “Voor mij is het in ieder geval heel belangrijk dat we de urgentie adresseren. Als technische universiteiten hebben we de plicht om bij te dragen de transitie naar een meer circulaire en duurzame bouwomgeving te versnellen.”

“Ook al is deze DAT nog vrij nieuw, we beginnen niet helemaal vanaf nul”, vult Gruis aan. “We bouwen voort op een groep (het Bouw en Techniek Innovatiecentrum, red.) die al een programma heeft geschreven over ontwerp voor circulaire bouwomgeving en heeft meegewerkt aan het verkrijgen van onderzoeksfinanciering.” Gruis en Schröder zijn niet alleen betrokken bij deze DAT maar ook bij TKI Bouw en Techniek. Dit Topconsortium voor Kennis en Innovatie is afgelopen zomer ontstaan uit het Bouw en Techniek Innovatiecentrum (BTIC).

Verschillen

Schröder verduidelijkt het verschil tussen het DAT en de TKI: is samengesteld uit het bedrijfsleven en TNO. Ook universiteiten en hogescholen zijn betrokken. Hun netwerk sluit mooi aan op dat van ons. Het DAT is wat meer gefocust op universiteiten maar in de praktijk werken we natuurlijk graag samen om de kennis en innovatieprogramma’s vorm te geven. Een verschil met het vroegere BTIC is bovendien dat deze zich vooral bezighield met circulariteit. Het DAT gaat over duurzaamheid en circulariteit en over de vraag hoe deze concepten samenhangen.”

Sociale dimensie

Deze samenhang is volgens Schröder van groot belang en er mag van hem dan ook meer aandacht aan worden besteed. “De sociale dimensie is cruciaal voor duurzaamheid. Maar in veel definities van de circulaire economie of circulair bouwen is dit vaak nog open vraag. Terwijl het duidelijk is dat alle vormen van bouwen en technologische innovaties altijd een sociale factor hebben. De transities moeten dus ook eerlijk en rechtvaardig zijn.” Voorbeelden van die sociale factoren zijn betaalbaarheid, participatie in de ontwerpen, comfort, publieke ruimte en welbevinden. “Daarbij gaat het ook over waar de materialen vandaan komen en onder welke omstandigheden ze zijn geproduceerd.”

Transitieteam Circulaire Bouweconomie

Naast het DAT en de TKI is er nog het Transitieteam Circulaire Bouweconomie, waar Gruis voorzitter van is. “Dit is een van de vier transitieteams die zijn samengesteld op verzoek van de Rijksoverheid om de transitie naar een circulaire maatschappij als geheel te stimuleren. Binnen ons team zitten mensen vanuit de gehele industrie: mensen van kennisinstituten, commerciële partijen, publieke partijen, ingenieurs, architecten etc. Het team probeert de overheid te adviseren over wat te doen om deze transitie mogelijk te maken. Daarnaast proberen we soms ook initiatieven in de praktijk te stimuleren.”

Over de onderlinge samenwerkingen tussen de verschillende teams vertelt Gruis: “In de praktijk is het allemaal wat meer fluïde maar je zou kunnen zeggen dat het transitieteam kijkt naar stimulatie en regulatie van de markt. Ook wordt er gekeken naar kennisontwikkeling. Bij die kennisontwikkeling is de TKI Bouw en Techniek een belangrijke partner. Via de TKI werken we weer samen met DAT.”

Schröder: “Het idee is om samen te werken op de thema’s duurzaamheid en circulariteit. Daarbij willen we een lange termijn visie ontwikkelen. Deze kan worden gebruikt als input voor strategische agenda’s. Maar het gaat ook om het herkennen en identificeren van de verschillende expertises binnen de 4TU’s. Dit is een belangrijke voorwaarde om samen te werken en mogelijkheden te creëren voor nieuwe gezamenlijke onderzoeksprojecten.”

Circulair in 2050

Of beide onderzoekers geloven in een volledig circulaire bouweconomie in 2050? “We weten in ieder geval zeker dat we met de juiste intenties aan de juiste dingen werken. Natuurlijk is volledig circulair lastig. Het is al moeilijk te definiëren, zoals Torsten zei. In het transitieteam hoeven we circulariteit ook niet te definiëren maar moeten ervoor zorgen dat alles wat we doen vanaf 2050 niet leidt tot nieuwe schade en gevaren voor onze omgeving”, aldus Gruis. “De circulaire strategieën die we nu ontwikkelen moeten in 2050 zover ontwikkeld zijn dat ze geen enkele schade toebrengen aan het milieu. Het is niet eenvoudig om je daar nu een beeld bij te vormen.”

Hoge berg

Vanuit het transitieteam buigt Gruis zich momenteel over de inrichting van een ‘basiskamp’. Hierover vertelt hij: “Wij gebruiken dit basiskamp als metafoor. De transitie naar een circulaire bouweconomie is volgens ons vergelijkbaar met het beklimmen van een hele hoge berg die je nog nooit eerder hebt beklommen. Vanuit het basiskamp willen we ontdekken wat goede en haalbare manieren zijn om die berg op te komen.”

Door samen de juist kennis te ontwikkelen, kan het DAT Circulariteit en Duurzaamheid volgens Gruis een zeer waardevolle bijdrage leveren aan het basiskamp. “Vooral als het de productieve samenwerkingen tussen de vier technische universiteiten bevordert. Elke universiteit heeft een iets andere en dus complementaire expertise. Als je die expertises op een goede manier combineert, kan dat zeker bijdragen aan versnelling van de transitie. Ik ben heel blij dat de samenwerking die we al waren gestart op deze manier min of meer wordt verankerd.”

Samenwerking

Dit artikel is gemaakt in een samenwerking tussen 4TU.Built Environment en onze redactie. Innovation Origins is een onafhankelijk journalistiek platform dat zijn partners zorgvuldig uitkiest en uitsluitend samenwerkt met bedrijven en instellingen die achter onze missie staan: het verhaal van innovatie verspreiden. Op die manier kunnen wij onze lezers waardevolle verhalen aanbieden die volgens journalistieke richtlijnen tot stand zijn gekomen. Wil je meer weten over hoe Innovation Origins samenwerkt met andere bedrijven? Klik dan hier