Kennisinstituut TNO bouwt samen met GE Renewable Energy en LM Wind Power een gigantische testfaciliteit voor rotorbladen in Wieringerwerf, in de Kop van Noord-Holland. De faciliteit gaat bestaan uit een windturbine op ware grootte waar rotorbladen met een diameter van meer dan 200 meter worden getest. Dat heeft TNO vandaag bekendgemaakt in een persbericht.

Volgens TNO wordt het de grootste testfaciliteit ooit gebouwd. R&D-manager Peter Eecen van TNO EnergieTransitie zegt dat dit nodig is omdat met name de windturbines op zee steeds groter worden wat ongekende technologische uitdagingen met zich meebrengt.

Peter Eecen, Foto TNO

Eecen: “Grotere turbines zijn essentieel om de energietransitie vorm te geven. Zonder innovaties zouden grotere turbines te zwaar en te duur worden om commercieel rendabel te zijn. Snelle innovatie op het gebied van windturbineblad- en rotorontwerp, materialen, constructie en productie hebben de opschaling van windturbines op zee wereldwijd haalbaar en aantrekkelijk gemaakt.”

Binnen paar jaar nieuwe generatie windmolens

Precies op die voet wil TNO met zijn beide partners doorgaan: “De testen, experimenten en berekeningen waar we nu mee beginnen, moeten resulteren in turbines die over een paar jaar een plek krijgen in windparken op zee.”

Windmolens op zee worden steeds groter en hoger, Foto GE

Bij de innovatie van rotorbladen moet je bijvoorbeeld denken aan materialen die het gewicht van de kolossen omlaag brengen. Het gaat om de duurzaamheid en de veiligheid van de bladen, de aerodynamica en de wrijvende onderdelen. Het doel is uiteindelijk een zo hoog mogelijke stroomopbrengst tegen zo laag mogelijke kosten.

Want zo zegt Eecen: “Je kunt turbinebladen niet ongestraft groter maken. Ze worden dan te zwaar en te duur en dan is het niet interessant meer voor fabrikanten of bouwers van windparken. De kunst is met een innovatief ontwerp te komen dat een ideale balans vormt tussen lage belasting van de constructie en hoge opbrengst tegen acceptabele kosten. Als dat lukt, gaan de kosten van windenergie per kilowattuur omlaag. Dat maakt wind op zee economisch steeds interessanter. En dat draagt weer bij aan versnelling van de energietransitie.”

Ministerie van Economische Zaken

De nieuwe testfaciliteit, die al in november klaar moet zijn, wordt medegefinancierd door het Ministerie van Economische Zaken binnen het vierjarige STRETCH-programma waar al langer wordt samenwerkt met General Electric (GE) Renewable Energy en GE-dochter LM Wind Power.

Het eerstvolgend doel is het verder opschalen van het rotorblad tot een diameter van zo’n 230-240 meter. Bij de samen met GE ontworpen Haliade-X is dat nog 220 meter. Eecen: “Dat betekent het betreden van onontgonnen aerodynamisch terrein. Onderzoek moet uitwijzen welke krachten bij die lengtes worden uitgeoefend en welke gevolgen dit heeft voor de belasting van de rotorhub en de daaraan verbonden bladen.”

Het van origine Amerikaanse GE is een van de grootste wereldwijde producenten van windmolens achter de Deense marktleider Vestas. Verder in de top-5 staan de Spaans-Duitse combinatie SiemensGamesa en de Chinese bedrijven Goldwind en Envision.

Als je alleen naar offshore kijkt dan heeft SiemensGamesa het grootste marktaandeel. Offshore is er ook een soort wedstrijd gaande tussen SiemensGamesa en GE over wie de grootste molen heeft. Tot begin dit jaar was dat de Haliade-X, maar in mei nam SiemensGamesa het heft weer in handen met een windmolen met een rotorblad met een diameter van 222 meter.

Word lid!

Op Innovation Origins lees je elke dag het laatste nieuws over de wereld van innovatie. Dat willen we ook zo houden, maar dat kunnen wij niet alleen! Geniet je van onze artikelen en wil je onafhankelijke journalistiek steunen? Word dan lid en lees onze verhalen gegarandeerd reclamevrij.

Over de auteur

Author profile picture Maurits Kuypers is als macro-econoom afgestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam met als specialisatie internationale betrekking. Sinds 1997 is hij actief als journalist, eerst 10 jaar op de redactie van Het Financieele Dagblad in Amsterdam, daarna als freelance correspondent in Berlijn en Centraal-Europa. Bij technologische innovaties heeft hij ook altijd oog voor de financiële haalbaarheid van een project.