Eindhoven wil een smart society worden. Maar hoe gaat dat? Wat gebeurt er al? En van welke voorbeelden kunnen we iets leren? De DATAstudio onderzoekt de transitie die de stad moet doormaken om daadwerkelijk zo’n smart society te worden. Met elke week een nieuwe bijdrage op e52. Deze week: ethische vragen rond Internet of Things. Lees hier alle afleveringen in deze serie.

DATAstudio_E52_BANNER2

Het Internet of Things verspreidt zich als een olievlek. De grootte ervan werd eind 2016 geschat op 17.6 miljard ‘connected devices’. Zoveel ‘slimme’ apparaten en diensten staan dus in contact met hun omgeving, met elkaar en ze reageren op ons, de gebruikers. Helaas zitten er nogal wat bedroevend slechte en vaak ook schadelijke producten en diensten tussen, stelt Marcel Schouwenaar van Internet of Things-ontwerpbureau The Incredible Machine.

Schouwenaar sprak erover op 26 januari in de Bibliotheek Eindhoven. Hij was te gast in de reeks lezingen- en discussieavonden Een Stad zo Slim als haar Bewoners, die de DATAstudio maandelijks organiseert. De reeks gaat over best practices voor een slimme samenleving.

Langer groen voor wie slecht ter been is
“Er is te weinig aandacht voor de ethische implicaties van Internet of Things-concepten”, meent Schouwenaar. Tijdens zijn lezing toonde hij een aantal voorbeelden van Internet of Things-producten waarbij in de ontwikkeling daar juist wél aandacht voor was. Zijn persoonlijke favoriet is het responsieve straatmeubilair van Ross Atkin en Jonathan Scott.

Lantaarnpalen, stoplichten en ander straatmeubilair kunnen daarmee inspelen op de behoeften van mensen met bepaalde beperkingen. Het groene licht kan bijvoorbeeld langer aanblijven voor iemand die slecht ter been is. “Het cruciale principe hier is dat de wandelaar zelf via zijn telefoon kan aangeven of hij of zij behoefte heeft aan een aangepaste instelling voor het meubilair. Er wordt dus niet massaal buiten beeld van de burgers data verzameld over wie er slecht ter been is, waarmee die lantaarnpaal dan zelf zou weten wat ‘ie moet doen als er iemand met beperkingen in de buurt is.”

Andere goede voorbeelden zijn Safecast en Urban AirQ. “Deze projecten draaien om devices die burgers in staat stellen zelf data te verzamelen over stralingsniveau en luchtkwaliteit in hun omgeving, en om die als open data te publiceren.”

Bij alle drie de voorbeelden gaat het om apparaten die niet zelf bepalen wat een burger en gebruiker moet doen of laten, maar die de zeggenschap over wat er gebeurt bij de gebruiker leggen. “De grote uitdaging is om van het Internet of Things een open, robuust, veilig en duurzaam platform te maken waar grote en kleine bedrijven, individuen en overheden hun eigen diensten op kunnen ontwikkelen binnen een aantal algemeen gedragen, ingebouwde principes.”

Ethisch Manifest

De principes waar hij op doelt, zijn omschreven in het ethisch Internet of Things Manifest.  Schouwenaar is zelf een van de opstellers ervan, samen met enkele andere vooral vanuit Nederland werkende technische ontwerpers. Ze pleiten onder meer voor het beschermen van privacy van gebruikers, voor transparantie over alle stakeholders die bij de ontwikkeling van een product betrokken zijn, en voor zo duurzaam mogelijke producten.

“Bij de lancering in 2013 kreeg het Manifest direct veel ondertekenaars. Vrij snel ook zaten daar groepen bij van buiten ons directe netwerk. Dan had iemand erover verteld op een conferentie en werd het daarna veel ondertekend vanuit die bepaalde tak van wetenschap. Op dit moment zien we steeds meer ondertekenaars uit hardcore system integrators, de zogenaamde ‘enabling technologies’.

Cultuurverandering

“Je moet het belang overigens ook niet overschatten. We zien wel steeds meer ondertekenaars van steeds grotere bedrijven, maar een Manifest ondertekenen is niet hetzelfde als een hele ontwerpcultuur en -praktijk veranderen. Je ziet ook wel dat mensen tekenen met hun persoonlijke emailadres in plaats van met hun bedrijfsemail.”

Ook in zijn eigen ontwerpbureau geldt dat het met sommige klanten wel lukt om de cultuur te veranderen, en met andere niet. “De leukste klussen die we krijgen, komen wel binnen vanwege deze principes. Festool, een Duitse maker van powertools, benaderde ons vanwege deze waarden. In Duitsland zijn ze sowieso meer privacybewust dan hier. Mozilla (de ontwikkelaar van de Firefox-browser) gebruikt het Manifest ook om te kijken naar haar Internet of Things-strategie. Met hen hebben we ook gedeelde waarden.”

Inmiddels heeft het Manifest nu ook het onderwijs bereikt: op de Hogeschool van Amsterdam wordt ermee gewerkt, en op een van de grootste technische universiteiten in India. Schouwenaar is daar erg enthousiast over: “Als de werkwijze die in het Manifest wordt voorgesteld de standaard wordt, omdat je dat op school zo hebt geleerd, zou dat heel effectief zijn. Dat gold voor duurzaamheid in mijn tijd op de TU Delft. Duurzaamheid is nu een vanzelfsprekend uitgangspunt, het is geen uitzondering meer. Daarvóór had je dat met human-centric design. En nu dus de ethische principes voor het Internet of Things!”

Foto:  Ross Atkin Associates