Marc Dubach betreurt de teloorgang van ‘het Eindhovens’.

In een column in de tweemaandelijkse glopinie (!) FRITS beschrijft hij hoe zijn twaalfjarige dochter qua taligheid vaart op Nederlands en Engels. Zelf verliet hij de lagere school naar zijn zeggen indertijd met Nederlands en Brabants in z’n ‘pakket’.
‘Ergens’ vindt hij deze ontwikkeling wel erg.
Zijn voorstel is om oudere autochtonen die ‘het Eindhovens’ nog beheersen te koppelen aan de jeugd van ná 2000. Zo worden de jongsten alsnog ingeleid in een bejaard exemplaar van de streektaal.

Het klinkt sympathiek: de jeugd aanleren dat ‘Witte Geit’ in onze contreien ook dient verstaan te worden als: ‘ Weet jíj ‘t ’? Althans, dat vermoed ik, alhoewel….ge wit ‘t oit noit nie…..
Taal leeft en verandert met de dag…..

Om nou uitgerekend Eindhoven te willen gebruiken als voorbeeld van degelijk dialectbehoud is bijzonder. De minst Brabantse stad van het hele Hertogdom is uitgerekend Eindhoven.
Inderdaad: de city of light and design.

De industriële ontwikkeling over pakweg ‘n periode van de laatste 100 jaar voorzag in een ongekende immigratie op de armoeiige zandgronden van de Kempen.
De gloeilampen van Gerard Philips zetten alles op z’n kop.

Van Drenten en Limburgers tot later Spanjaarden en recentelijk Indiërs: hele volksstammen hebben zich hier de afgelopen eeuw gevestigd.
Daarmee is er van dat zanderige ‘Eindhovens’ weinig meer over.

Op straat hoor je erg veel buitenlands en de gemiddelde Eindhovenaar spreekt ’n Zuid-Nederlands ABN met ’n‘ zachte G.
‘Houdoe’ hoor je hier onder de jeugd nog nauwelijks.

‘Het Eindhovens’ is evenwel al veel eerder teloor is gegaan. De boterham werd hier zo rond 1800 hoofdzakelijk verdiend in de textielindustrie. Later kwamen daar hoedenfabrieken, bierbrouwerijen en leerlooierijen bij. Tabaksnijverheid en luciferfabrieken maakten in de 19e eeuw het industriële karakter compleet.
Van heinde en verre in Brabant kwamen ook in die dagen al ‘anderstalige’ arbeidskrachten naar Eindhoven afgereisd.

Er is niks mis met de ontwikkeling naar minder dialecten en talen.

De koestering van dialecten omwille van de culturele waarde wordt vaak ingegeven door nostalgie en erbij gesleurde eigenwaarde(n) en traditie. In het slechtste geval onbehouwen nationalisme.

Begrip voor de ander ontstaat wel zo gemakkelijk zodra je elkaar verstaat in de letterlijke zin het woord.
Engels is de lingua franca van onze tijd. Het kan niet rap genoeg gaan dat iedereen deze taal vloeiend spreekt. Naast je moerstaal, OK!

Zo bezien heeft de dochter van Marc Dubach het goed getroffen: zij verlaat mét Engels de basisschool. Er gaat een wijde wereld voor haar open.
Haar vader, met z’n Brabants in het pakket, heeft trouwens toch maar mooi de FRITS als podium voor z’n schrijfsels in het Nederlands weten te vinden.
Hopelijk realiseert hij zich dat dit tijdschrift ’n glopinie is.
De betekenis daarvan ontgaat mij vooralsnog. Tot op heden hield ik ‘t op glossies en opiniebladen. M’n vocabulaire kan ik er wel al mee verrijken.
Fraai voorbeeldje van taalontwikkeling.

Toch maar ’ns aan Marc voorleggen. ‘Ergens’ is het immers toch erg, zo’n woord als ‘glopinie’……

Pieter Hendrikse beziet “Vanaf De Hovenring” de gebeurtenissen in en soms ook buiten Eindhoven. Hij doet dat zowel vanuit zijn eigen expertise (onderwijs, sociaal/cultureel domein) als in een vrije rol.