Onlangs popte er weer ‘n discussie op tussen de minister van OC&W en de Nederlandse universiteiten. En natuurlijk: over geld en nog eens geld.
Is het niet dat kranten koppen met het bericht dat er een herverdeling tussen enerzijds beta-, en anderzijds alfa- en gamma-studies nodig is, dan worden nut en noodzaak van ‘n numerus fixus wel aan de orde gesteld.
Teveel ‘pretstudies’ of te weinig ‘techneuten’. Meer of juist minder buitenlandse studenten, altijd weer is er meer dan voldoende aanleiding tot debat. En zo gaat het al decennia.
Sinds de grote externe democratiseringsgolven van de jaren ’60 van de vorige eeuw hebben we nauwelijks iets anders meer gezien. Elk getalenteerd kind kan en mag sindsdien naar de hoogste vorm van onderwijs, maar daar begint het gedoe.

De aansluiting met de arbeidsmarkt is niet op orde, gigantische aantallen studenten komen af op de populaire tempels van wijsheid. Te vaak ook worden ‘verkeerde studies’ gekozen, met alle emotionele én economische gevolgen van dien.
Universiteiten wijzen naar de politiek, (soms) naar elkaar, maar zelden lees je over harde zelfreflectie.
In academische kringen is daarvoor blijkbaar te weinig tijd. Wat wil je ook: die immens vele, ambitieuze koninkrijkjes hebben misschien wel niet echt veel met elkaar op. Faculteiten, vakgroepen, leerstoelen, subsidiestromen, onderzoeksgelden… Allemaal en iedereen voortdurend op zoek naar het hogere goed, bij en vooral voor zichzelf.
De integrale blik op het geheel kan zomaar verdwijnen. De vraag die daarbij ook rijst is of er eigenlijk écht zicht is op de eigen aanwas, het aanstormend talent.
En die blik is hard nodig opdat slimmer geanticipeerd wordt op fluctuaties in de belangstelling voor bepaalde studies. Of dat er preciezer ingezet wordt op een goede determinatie van het studentenvolkje.

Één manier die zonder twijfel kan helpen om universiteiten effectiever te maken: leidt meer docenten op. ‘n Kerntaak die inmiddels al decennia lang wordt verzaakt.

Aan instellingen voor wetenschappelijk onderwijs bestaat immers in hoofdzaak belangstelling voor onderzoek.

Aan instellingen voor wetenschappelijk onderwijs bestaat immers in hoofdzaak belangstelling voor onderzoek. Levert dat het meeste aanzien en geld op? Brengt dat de hoogste arbeidssatisfactie?
Onderwijs komt op de tweede plaats. Want eigen studenten: het zijn er vaak te veel, onvoldoende gemotiveerd en nog niet geïnteresseerd in de exclusiviteit van wetenschapsbeoefening binnen het échte vakgebied. Hoogleraren laten onderwijs dan ook veelvuldig over aan assistenten in allerlei soorten en maten.

De geringe interesse voor de eigen onderwijspoot verklaart in het verlengde daarvan het gebrek aan belangstelling voor de opleiding van leraren.
Terwijl zij, de leraren in voortgezet, middelbaar- en hoger beroepsonderwijs, dé ambassadeurs én poortwachters kunnen zijn van de universiteiten. Scholen zijn dé plek om potentieel aan te boren, motivatie te versterken en discutabele studiekeuzes te voorkomen. Docenten als ‘scouts’ van de universiteit in de school. Mooier kun je het niet hebben.

Universiteiten dienen binnen centraal gepositioneerde Schools of Education nóg meer zichtbare verbindingen aan te gaan met leveranciers van al die studenten: de scholen!
Instellingen die trouwens zelf veelal worstelen met tekorten aan academisch gevormde leraren. Welbegrepen eigenbelang aan twee kanten: mooier bestaat niet om tot gemeenschappelijk resultaat te geraken.


Pieter Hendrikse beziet “Vanaf De Hovenring” de gebeurtenissen in en soms ook buiten Eindhoven. Hij doet dat zowel vanuit zijn eigen expertise (onderwijs, sociaal/cultureel domein) als in een vrije rol.