©Pixabay

De professor keek door het raam van de trein en dacht na. Na-denken vervulde hem met een gevoel van geluk. Voor-denken vond hij ook fijn, maar dat proces kost meer energie en vereist focus. Focus om het juiste pad te vinden. Bij na-denken hoeft dat niet. Hij liet zijn gedachten gewoon de vrije loop en volgde.

Hij had zojuist een spreekbeurt gegeven over de gegevens die grote databedrijven over ons verzamelen. En vooral over het feit dat deze partijen inmiddels veel meer data hebben over Nederland en haar inwoners dan onze Nationale overheid.

“Theoretisch gezien”, zo had hij gezegd, “kunnen deze bedrijven het openbaar vervoer efficiënter laten functioneren dan de NS.” Na een dramatische bedoelde pauze had hij daaraan toegevoegd: “Theoretisch gezien kunnen deze bedrijven criminaliteit adequater op sporen dan de politie.”

Hij had betoogd dat deze data-ongelijkheid onze democratie ondermijnt. Maar niemand leek zich daar erg zich druk over te maken. En dat baarde de professor zorgen.

Hij had gegevens laten zien die Google bezat van een van zijn studenten. De student had haar digitale leven ter beschikking gesteld aan de wetenschap. Dat had de professor een dappere beslissing gevonden. Als ze na haar dood haar lichaam aan de wetenschap zou afstaan, dan zou dat minder prijsgeven over haar identiteit dan de gegevens die Google over haar bezit.

Het bestand bevatte bladwijzers van de pagina’s die de student bezocht had, haar e-mails en contactenlijst. De telefoons die ze in de afgelopen jaren had gebruikt, alsmede de applicaties zie ze daarop had geïnstalleerd, en waar, wanneer, en waarvoor ze deze had gebruikt. Haar agenda was zichtbaar alsmede de locaties waar ze was geweest – in de meeste gevallen tot op 5 meter nauwkeurig. Al haar meditatie-, yoga-, wandel-, fiets-, en hardloopsessies waren te plotten op een kaart. Ook hoekveranderingen van meer dan 90 graden die haar telefoon had gemaakt waren vastgelegd. Zelfs bestanden die ze dacht verwijderd te hebben, zoals verschillende versies van haar CV, brieven aan haar overleden vader, en haar persoonlijke financiële planning waren terug te vinden.

Het was een onthutsende exercitie geweest en de student had er een beetje van moeten huilen.

Hatsjie! De reiziger die schuin tegenover de professor zat, nieste hard. “Excuus”, mompelde hij. Het viel de professor op dat de man netjes in de binnenkant van zijn linker elleboog had geniest. Geheel conform de meest recente etiquette. Maar het viel hem ook op dat de man vervolgens met zijn rechterhand de elleboog van zijn jasje schoonveegde. Het was dezelfde hand waarmee hij vervolgens zijn bekertje koffie aan de mond zette, zijn OV pas aan de controleur zou aanbieden, de deurklink aan zou raken, zijn collega de hand zou schudden, en de pinautomaat bij de supermarkt zou bedienen.

De professor keek uit het raam en dacht aan hoe het RIVM-contactonderzoek uitvoert. Onderzoekers bellen een patiënt en vragen waar hij of zij in de afgelopen periode is geweest en met wie. Vervolgens bellen ze met die mensen om te vragen of ze gezondheidsklachten hebben, en zo ja met wij zij contact hebben gehad.

Wanneer mensen in de afgelopen periode een overzichtelijk sociaal leven hebben geleid, is deze manier van onderzoek wellicht nog te doen. Maar wanneer het aantal besmettingen groeit, of wanneer internationale reizen of grote evenementen een rol hebben gespeeld, wordt het schier onmogelijk om op deze wijze betrouwbaar onderzoek uit te voeren.

De professor bedacht zich dat als we infectieziekten écht zouden willen begrijpen, bestrijden en voorkomen, we eigenlijk bij Google zouden moeten aankloppen. Het bedrijf zou niet alleen inzichtelijk kunnen maken waar een patiënt geweest is, maar ook wie zich op dat moment binnen een afstand van 5 meter van die patiënt bevond. Google zou kunnen zien wie met elkaar in de trein of het vliegtuig heeft gezeten, wie met wie op hetzelfde evenement is geweest, of wie na elkaar gebruik heeft gemaakt van bepaalde sanitaire voorzieningen. Van al deze mensen zou vervolgens in kaart kunnen worden gebracht waar ze sindsdien zijn geweest en met wie ze op hun beurt contact hebben gehad. Vervolgens zou Google kunnen zien of deze personen hebben gezocht op woorden als ‘koorts’, ‘hoesten’, of ‘luchtweginfectie’, en of ze de afspraken in hun agenda’s daadwerkelijk zijn nagekomen. Het bedrijf zou kunnen zien of het aantal hoekveranderingen van hun telefoon in de afgelopen periode is veranderd, of ze gesport hebben en of hun sportprestaties overeenkomen met eerdere sessies.

De trein minderde vaart. Natuurlijk is ook Google’s beeld van de wereld niet compleet, dacht de professor. Maar het idee dat een bedrijf over het meest complete wereldbeeld beschikt dat er ooit is geweest, fascineerde hem. Google is erg goed in voor-denken. Vijftien jaar geleden had het bedrijf al voor-gedacht over de mogelijkheden van data. En het had niet alleen voor-gedacht, het had ook voor-gedaan. Daarmee was een onoverbrugbare voorsprong ontstaan op de overheidsinstanties die nu nog na-denken over de mogelijkheden van data.
De professor nam zich voor om bij zijn volgende treinreis zèlf weer eens voor te denken.

Over deze column:

In een wekelijkse column, afwisselend geschreven door Bert Overlack, Mary Fiers, Peter de Kock, Eveline van Zeeland, Tessie Hartjes, Jan Wouters, Katleen Gabriels en Auke Hoekstra, probeert Innovation Origins te achterhalen hoe de toekomst eruit zal zien. Deze columnisten, soms aangevuld met gastbloggers, werken allemaal op hun eigen manier aan oplossingen voor de problemen van deze tijd. Zodat morgen beter wordt. Hier lees je alle vorige afleveringen.

Over de auteur

Author profile picture Peter de Kock is vanaf najaar 2019 Professor of Practice in data science op het gebied van criminaliteit en veiligheid aan Tilburg University. De Kock leidt de afdeling Data science in Crime & Safety van de Jheronimus Academy of Data Science (JADS). De Kock is oprichter en ‘Chief Imagination Officer’ van Pandora Intelligence.