Verschillende zeedieren nemen virusdeeltjes op terwijl ze zeewater filteren om zuurstof en voedsel binnen te krijgen. Vooral sponzen zijn hier goed in. Het in toom houden van de viruspopulatie kan bijvoorbeeld een virusuitbraak voorkomen in zogeheten zoutwaterboerderijen voor het kweken van vis.

Het is een conclusie van maritiem ecoloog Jennifer Welsh van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ). Ze promoveert maandag 30 maart online aan de Vrije Universiteit op deze balans onder water. „Als een virus een cel infecteert, dan kan die zijn gastheer ertoe aanzetten om nieuwe virussen te maken. Deze komen vrij en kunnen op hun beurt weer vele nieuwe cellen infecteren.”

Virus als lunch

Welsh ontdekte dat ze ook onschadelijk kunnen worden gemaakt door een uiteenlopende groep zeedieren. De enorme hoeveelheid virusdeeltjes in zee, meer dan 150 miljoen per glas zeewater, kunnen namelijk eindigen als lunch van zeedieren.

In het in Scientific Reports gepubliceerde artikel over het promotieonderzoek wordt de Japanse oester als voorbeeld opgevoerd. Die filtreert zeewater, waarna hij zuurstof uit het water haalt of de in het water zwevende algen en bacteriën opeet. Tegelijkertijd glippen er virusdeeltjes naar binnen. Volgens Welsh slaagde deze oester erin bij experimenten twaalf procent van de virusdeeltjes uit het water te ‘vissen’.

Andere organismen die eigenlijk geen gastheer van deze virussen zijn doen het nog beter. Want de Japanse oester komt volgens deze bepaling pas op de vierde plaats. Sponzen, krabben en kokkels zijn de drie best presterende viruseters.

Sponzen reduceren 94 procent

Welsh: „De sponzen reduceerden de aanwezigheid van het aantal virussen in de experimenten binnen drie uur met wel 94 procent. Andere tijdsexperimenten lieten zien dat die opname van virussen zeer snel en effectief is. Zelfs als we elke twintig minuten opnieuw virussen aan het water toevoegden, bleven de sponzen ongekend doeltreffend in het verwijderen van de virussen.”

Het was tot nu toe onbekend dat verschillende zeedieren zo’n grote invloed kunnen hebben op het onder de duim houden van virussen. Welsh relativeert het belang voor de praktijk enigszins. De experimenten vallen niet een op een te vertalen voor een natuurlijke situatie.  „De situatie is daar een stuk complexer omdat veel meer diersoorten invloed op elkaar hebben. Als een oester aan het filteren is en er komt een krab voorbij, dan sluit hij zijn klep en stopt hij met filteren. Verder zijn er in de natuur factoren als getijdebewegingen, temperatuur en Uv-licht. Maar ook in de natuur is predatie door niet-gastheren zeker iets om rekening mee te houden.”

Toepassing voor kwekerij

Ondanks de kanttekening zijn de nieuwe inzichten bruikbaar voor de aquacultuur. Hier leven vissen of schaaldieren voor consumptie in afgesloten stukken water die in directe verbinding staan met de zee. Dit wordt beschouwd als een duurzaam alternatief voor de visserij op zee.

Natuurbeschermers leveren kritiek op deze vorm van kweken omdat veel exemplaren van een soort in een monocultuur bij elkaar leven. Als er een besmettelijke ziekte uitbreekt, bestaat de kans dat de ziekteverwekker zich uitbreidt naar wilde populaties in zee. Een partij sponzen zou dat kunnen voorkomen.