Innovatieve producten ontstaan vooral wanneer kennisinstellingen en bedrijven samenwerken. De Nederlandse overheid stimuleert die samenwerking op grote schaal met het topsectorenbeleid. Voor universiteiten en bedrijven die samen structureel onderzoeksprojecten opzetten, doet zij een extra duit in het zakje. Dat leidt tot meer geniale innovaties die sneller op de markt komen.

Het Haagse innovatiebeleid is sinds 2012 drastisch veranderd. Verschillende subsidieregelingen verdwenen, maar er kwam wel een breed stimuleringsmiddel voor terug. Met het topsectorenbeleid wil de overheid onderzoek en ontwikkeling van nieuwe producten in de negen beste sectoren van Nederland stimuleren. De topsectoren zijn brede termen. Zo is bijvoorbeeld de hele landbouw vertegenwoordigd in de topsectoren Agri & Food en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen. “In de vastgestelde gebieden wil Nederland voorop blijven lopen als het om innovatie gaat”, zegt Paul Merkus, innovation partnership manager bij de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e). De negen topsectoren zijn dan ook goed vertegenwoordigd op de vier technische universiteiten in Nederland.

De negen topsectoren zijn:

  • Agri & Food
  • Chemie
  • Creatieve Industrie
  • Energie
  • High Tech Systemen en Materialen
  • Tuinbouw & Uitgangsmaterialen
  • Life Sciences & Health
  • Logistiek
  • Water

Maatschappelijke relevantie

“Voordat dit beleid werd ingevoerd, waren universiteiten en het bedrijfsleven nogal verdeeld”, legt Merkus uit. “Hoogleraren deden vooral onderzoek naar onderwerpen die zij wetenschappelijk relevant vonden. Hierbij hielden ze weinig rekening met de thema’s die in het bedrijfsleven speelden.” Aan de andere kant investeerde het bedrijfsleven volgens hem relatief weinig in onderzoek bij publieke instellingen. Zij deden voornamelijk in huis onderzoek naar de mogelijkheden van nieuwe producten. “Het topsectorenbeleid brengt deze partijen samen. De academische wereld kijkt steeds meer naar thema’s die industrieel en maatschappelijk relevant zijn. Aan de andere kant investeert het bedrijfsleven nu ook eerder in onderzoeken van universiteiten.” Hierdoor gaat onder meer onderzoek op het gebied van technologie in de gezondheidszorg sneller vooruit. Daarnaast werkt de TU/e bijvoorbeeld ook aan betere netwerkverbindingen en doen zij meer onderzoek naar smart mobility en high tech apparaten.

Lange samenwerking voor brede projecten

De stimuleringsregeling van het topsectorenbeleid is de PPS-toeslag (Publiek Private Samenwerking). Om in aanmerking te komen voor deze toeslag moeten de universiteit en het bedrijf in een contract vastleggen dat zij structureel samenwerken. “Het gaat dan om langdurige projecten voor gezamenlijke rekening en risico. Beide partijen leggen geld in, bepalen doelen en delen resultaten”, legt Merkus uit. Het gaat hier bij voorkeur niet zo zeer om het onderzoek van één promovendus, maar om een reeks van onderzoeken in een breder kader. De PPS-toeslag is dertig procent van de grondslag, het bedrag dat een bedrijf overmaakt naar de universiteit voor het gezamenlijke project.

De topsector heeft zelf vooral een representatieve functie voor het vakgebied en is geen juridische entiteit. Het bestaat uit een boegbeeld en een topteam. Daarnaast heeft elke topsector een of meerdere TKI’s (Topconsortium voor Kennis en Innovatie). Een TKI is wel een juridische entiteit en universiteiten kunnen met deze organisatie bijvoorbeeld contracten afsluiten. Er bestaan vijftien TKI’s voor de negen topsectoren. Dit omdat er in sommige topsectoren verschillende deelgebieden zijn met verschillende belangen. Bijvoorbeeld op het gebied van energie. Hier bestaan verschillende TKI’s voor verschillende innovaties zoals windenergie, zonne-energie en stedelijke energie.

“De TKI’s dienen als doorgeefluik tussen de overheid en onder andere kennisinstellingen. Zij verdelen het geld en leggen daar aan beide kanten verantwoording voor af”, legt Merkus uit. Universiteiten rapporten de grondslag aan de TKI. Merkus doet dat namens de TU/e. “Een bepaald project is soms op het raakvlak van verschillende onderwerpen, zoals bijvoorbeeld in de medische technologie. Dan is het even zoeken en overwegen bij welke TKI ik de grondslag het beste kan rapporteren.”

Het spel om geld

De TKI verzamelt de grondslag van alle projecten van alle universiteiten. Dan doet de TKI een aanvraag bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voor de toeslag. Zij voert de PPS-regeling uit namens het Ministerie van Economische Zaken. Als dat goedgekeurd is, betaalt de RVO de toeslag aan de TKI’s. “En dan begint het spel”, zegt Merkus. “De TKI’s hebben namelijk vrijheid gekregen om zelf het proces te bepalen waarin zij de toeslag betalen aan universiteiten voor nieuwe PPS-en. Voor je gevoel heb je als universiteit recht op dertig procent van de grondslag die je hebt ingelegd, maar zo werkt het niet altijd.” Sommige TKI’s organiseren een call waarin de universiteit een voorstel moet indienen voor de PPS-toeslag. Anderen verdelen de toeslag onder universiteiten op basis van de grondslag die zij hebben ingelegd. “Dat is in veel gevallen voor universiteiten het gunstigst.”

Omdat het traject veel tijd kan kosten, bestaat er sinds vorig jaar ook een kortere versie. Dit traject heet de PPS-projecttoeslag. Hierin kunnen universiteiten en bedrijven voor een specifiek project PPS-toeslag aanvragen. Het geld kunnen zij dan ook direct besteden in dat project. Merkus maakt bij zijn aanvragen onderscheid op basis van het bedrag. “De kleine samenwerkingen voor minder dan 400 duizend euro dien ik in via de lange route, de PPS-programmatoeslag. Daarnaast werken wij soms ook met miljoenencontracten. Daarvoor is het de moeite waard om apart een voorstel in te dienen”, legt hij uit. “Het gaat dus voornamelijk om grote projecten voor grote bedragen.” De TU/e werkt bijvoorbeeld veel samen met Philips, ASML, KPN en Shell. “Dit is een spel voor de grote jongens, al zijn er natuurlijk ook verschillende andere subsidieregelingen voor het MKB en voor start-ups.”

Onderzoek uit wetenschappelijke interesse

Het onderzoek dat voortkomt uit deze regeling is maar een klein deel van het onderzoek dat hoogleraren aan de universiteit doen. Er zijn verschillende lagen van onderzoek. Het begint op de universiteit vaak met fundamenteel onderzoek. “Dit is gebaseerd op wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Een hoogleraar kan een bepaalde technologie in kaart brengen zonder daarvoor een bepaalde applicatie voor ogen te hebben”, zegt Merkus. Een voorbeeld: “Toen wetenschappers destijds de technologie achter internet onderzochten, wisten ze echt niet wat er allemaal mee zou kunnen. Nu blijven er steeds nieuwe toepassing voor ontstaan, van thuisbezorgd, tot Uber en WhatsApp. Allemaal applicaties die zij destijds niet konden voorspellen.” Maar de onderzoekers worden niet alleen gedreven door wetenschappelijke interesse, ook door maatschappelijke vraagstukken. Zoals bijvoorbeeld duurzaamheid en voldoende voedsel in 2050.

Langetermijnrelatie

“Het proces begint met pure wetenschap, het uitpluizen van theorieën. Daarna gaan hoogleraren en ingenieurs kijken of het idee praktisch haalbaar is. Tot slot gaan bedrijven het verkopen”, legt Merkus uit. Om innovatie daadwerkelijk te bewerkstelligen moeten onderzoeken volgens hem van de kennisinstellingen naar het bedrijfsleven worden doorgeschoven. “Op het snijvlak vind je de beste ideeën omdat daar verschillende domeinen samenkomen”, stelt hij. “Het topsectorenbeleid zorgt voor een betere relatie tussen kennisinstellingen en bedrijven. We hebben niet alleen ad hoc samenwerkingen voor bijvoorbeeld één project. Het gaat vooral om strategische gesprekken tussen het college van bestuur van de universiteit en het management van een bedrijf waarin we kijken naar een lange termijn relatie en een onderling afgestemde roadmap.”