“Een lichtpuntje voor de Duitse industrie”, schreef de zakelijke krant Handelsblatt afgelopen dinsdag toen het Duitse bureau voor de statistiek bekend had gemaakt dat er in juni 0,1% meer orders waren binnengekomen dan verdwenen. Voor jubelen is dat echter veel te weinig, zegt professor Timo Wollmershäuser van het gezaghebbende economische instituut Ifo uit München in een interview met Innovation Origins. Feit is dat de Duitse industrie zich in een abominabele toestand bevindt met een winst en orderportefeuille die al sinds vorig jaar krimpt.

Wollmershäuser: “Veel mensen vragen zich af of Duitsland in een recessie belandt, maar als je puur en alleen naar de industrie kijkt zitten we daar al midden in.”

Voor de innovatiekracht van Duitsland is dat volgens hem een kleine ramp, want de industrie vormt het hart van de economie, veel meer dan in andere landen. Dat blijkt ook uit internationale vergelijken. Zo werd in 2018 meer dan 23% van het Duitse bruto binnenlands product (bbp) gerealiseerd door de industrie, terwijl dat in Nederland en Groot-Brittannië slechts rond de 18% was.

Professor Timo Wollmershäuser van het Ifo Institut uit München

Bodem van de kas nog niet in zicht

Minder omzet en winst in de industrie betekent uiteindelijk ook minder geld voor nieuwe machines, intelligente robots en andere moderniseringen zoals elektrische auto’s en zelfdenkende fabrieken. “We hebben één geluk, en dat is dat bedrijven de laatste jaren zuinig zijn geweest en dus vrij diepe zakken hebben. Het wegvallen van omzet en winst kan dus een tijdje worden opgevangen door tijdelijke maatregelen zoals arbeidstijdsverkorting, maar hoe langer de recessie duurt des te groter wordt de noodzaak om te snijden in de kosten, en daar zal het budget voor R&D dan ongetwijfeld ook onder te lijden hebben.”

Volgens Wollmershäuser begin je dat nu al te zien aan de dalende investeringen. Specifieke cijfers over welke investeringen dalen, zijn er nog niet. Maar dat ze dalen is zeker. “Wij gaan ervan uit dat het voorlopig vooral gaat om uitgestelde vervangingsinvesteringen van bijvoorbeeld oude machines, maar er komt een moment dat ook de échte R&D-uitgaven aan de beurt komen, en dat is natuurlijk slecht voor de innovatiekracht.”

Heeft de Duitse auto-industrie straks nog wel genoeg geld voor ontwikkeling van de auto van de toekomst?

Overheidsuitgaven versus lastenverlichting

Het wordt volgens Wollmershäuser daarom hoogste tijd dat de overheid iets gaat doen om de investeringen en de economie een positieve impuls te geven. Daarvoor zijn grofweg twee mogelijkheden. In het ene geval geeft de overheid zelf meer uit aan bijvoorbeeld wegen, gebouwensanering en dergelijke, en probeert zo de economische motor aan te zwengelen. In het tweede geval laat de overheid het aan het bedrijfsleven over om meer te investeren door daarvoor ruimte te scheppen met lagere belastingen.

Dat laatste heeft duidelijk de voorkeur van Wollmerhäuser. Het is volgens hem de meest efficiënte en effectieve manier om de industrie uit het slop te trekken en het investeringsniveau op te krikken. En het kan ook makkelijk want Duitsland heeft met ongeveer 30% een relatief hoge belasting van ondernemingswinsten, tegenover slechts 25% in Frankrijk.

Berlijn te traag

Deels liggen de plannen al op tafel. Het vervelende is alleen dat Berlijn eindeloos nodig heeft om ze in de praktijk te brengen. Een goed voorbeeld is de afschaffing van de zogenoemde solidariteitsbelasting, een opslag die elke burger en bedrijf moet betalen bovenop de gewone belastingen en die de staat vorig jaar €18,9 miljard opleverde.

De Duitse regering wil deze extra belasting – ooit uitgevonden om de nieuwe deelstaten uit Oost-Duitsland te helpen – afschaffen in 2021. Maar waarom zo lang wachten? Direct volgend jaar kan toch ook, zegt Wollmershäuser.

Daar komt nog bij dat Berlijn heeft bedacht dat mensen met een hoger inkomen (bovenste 10%) niet profiteren van afschaffing van de “soli”. Een slechte zaak vindt Wollmershäuser omdat dit ten koste gaat van investeringen in het midden- en kleinbedrijf. “Helaas worden door die uitzondering een heleboel kleine ondernemers getroffen, terwijl juist deze ondernemers er bij hun investeringsbesluiten mee geholpen zouden zijn als de soli verdwijnt.”

Minder belastingen, of toch liever meer geld voor modernisering van wegrottende wegen en gebouwen ?

Meer infrastructuurinvesteringen? Niet doen

Veel analisten adviseren Berlijn meer uit te geven aan de infrastructuur. Wollmershäuser is daar echter tegen. Hij is het op zich eens met de kritiek dat er sprake is van achterstallig onderhoud bij de Duitse infrastructuur, maar wat veel mensen vergeten, is dat het overheidsbudget hiervoor de laatste jaren al flink is opgevoerd. Er wordt dus al hard gewerkt aan het oplossen van de bouwachterstand.

Ten tweede zouden extra infrastructurele investeringen op het verkeerde moment komen. “De bouwsector is nou net een van de weinige Duitse sectoren die nog wel op volle toeren draait. Extra werk van de overheid hebben ze daarom helemaal niet nodig en zullen ze alleen aannemen tegen (te) hoge prijzen.”

Ten slotte is het nog zo dat infrastructurele investeringen niet van de ene op de andere dag verhoogd kunnen worden. Bouwbesluiten hebben tijd nodig om te worden getroffen, uitgewerkt en uitgevoerd. “Als anti-recessiemaatregel is het daarom zinloos”, aldus Wollmershäuser. Hij pleit er wel voor om de infrastructurele uitgaven voor een langere periode op een behoorlijk hoog niveau vast te leggen. Hierdoor kan worden voorkomen dat de situatie van 2008-2010 zich herhaalt toen de bouw instortte als gevolg van de kredietcrisis.

Dit het tweede deel van een serie over een mogelijke recessie in Duitsland en de gevolgen die dat heeft voor innovatie en R&D-uitgaven. Deel 1 verscheen op dinsdag 20 augustus.